Een week of zes geleden deed een Amerikaanse ALS patiënt uit Amerika een online oproep aan vrienden om een emmer ijswater over zich heen te gooien. Deden ze dit niet, dan moesten ze 100 dollar doneren aan het goede doel. Namen ze de uitdaging aan, dan volgde een filmpje van de daad op het web, waarna drie volgende kandidaten werden genomineerd.

De Ice Bucket Challenge verwerd tot een online tsunami, en inmiddels staat het web vol met filmpjes van bekenden en minder bekenden met natte haren en uitgelopen make-up. Ook spotte ik een heus Ice Bucket Challenge-pak.

Ook mijn Facebookpagina raakte verstopt met filmpjes van emmers ijs-stortende mensen. Het was een kwestie van tijd voor ik werd genomineerd. Mijn mededeling waarin ik dankte voor de nominatie, vertelde dat het ijs op was en dat ik geld had gedoneerd, viel niet bij iedereen in goede aarde. De boodschap? Ik zorgde ervoor dat er minder aandacht kwam, ik verstoorde de ketting en ik was een spelbreker.

Als kind had ik al een hekel aan kettingbrieven, juist vanwege het dwingende aspect ervan, soms op het dreigende af. Inmiddels zie ik dat Facebook steeds meer trekjes krijgt van de golden oldie kettingbrief. En het (niet) meedoen? Lees The Circle van Dave Eggers maar eens (en het blog van collega Henk Jacobs). Niet meedoen is verdacht. Privacy is diefstal.

De Ice Bucket Challenge is een gigantisch succesvolle viral campagne. Tienduizenden donateurs hebben zich gemeld, en de teller loopt in de miljoenen. Fantastisch nieuws – ALS is een huiveringwekkende ziekte.

Tegelijkertijd ontbloot dit succes de keerzijde van sociale media. Delen we omdat we ons (onbewust) gedwongen voelen? Willen we wel delen? Denken we na over hoeveel we eigenlijk delen? En weten we wat we delen? Wat je ook deelt, blijf jezelf deze vragen stellen. Juist als je een ander betrekt in je posts.